Brussel zet Turudić onder druk

Institutional activity continues at scale while public confidence in the judiciary remains critically low.
Beeldcompositie · tobriefSlechts 27% van de Kroatische burgers en 28% van de bedrijven vindt dat de rechterlijke macht onafhankelijk is. Dat blijkt uit het rechtsstaatrapport 2026 van de Europese Commissie, dat op 17 juli verscheen (Commissie, Index.hr). Corruptie blijft volgens de Commissie "wijdverbreid", ook al brengen aanklagers wel degelijk zaken voor de rechter. Het jaarlijkse rapport legt dat allemaal vast. Kroatië ertoe dwingen het op te lossen, kan het niet.
Drukke aanklagers, leeg vertrouwen
Het hoofdstuk over Kroatië beschrijft geen institutionele instorting. Er zijn anticorruptie-instanties en aanklagers doen hun werk. Toch is de kloof tussen die activiteit en het publieke vertrouwen enorm. Het belangrijkste instrument van de Commissie blijft daarbij een cyclus van dialoog, aanbevelingen en opvolging, geen bindend bevel (Commissie). De Commissie erkent zelf dat EU-landen eerdere aanbevelingen minder goed uitvoeren dan voorheen (Commissie). Bovendien bestaat er geen automatische koppeling tussen de conclusies uit het rechtsstaatrapport en besluiten over EU-financiering (EU Perspectives).
Voordat een land toetreedt tot de EU, heeft Brussel echte poortwachtersmacht: onderhandelingen kunnen worden vertraagd en hervormingen kunnen als toegangsprijs worden geëist. De berichtgeving van FAZ over dezelfde rapportageronde liet dat contrast zien aan de hand van Servië, waar negatieve rechtsstaatscores nog altijd meewegen in het kandidaattraject (FAZ). Na toetreding wordt de gereedschapskist veel smaller. Brussel kan geld niet simpelweg bevriezen omdat burgers de rechtbanken wantrouwen; het moet aantonen dat rechtsstaattekorten het beheer van EU-middelen rechtstreeks bedreigen (Verordening 2020/2092, CER). Artikel 7, de zwaarste EU-procedure waarmee stemrechten van een land kunnen worden opgeschort, vereist bovendien politieke consensus tussen regeringen. Die is tegen geen enkele lidstaat ooit bereikt. Laag vertrouwen in de rechtspraak activeert op zichzelf dus geen van deze instrumenten.
De strijd om wie EU-fraude vervolgt
Eén EU-instrument kan wel zelf strafzaken beginnen. Het Europees Openbaar Ministerie, EPPO, mag in deelnemende lidstaten misdrijven onderzoeken en vervolgen die de EU-begroting raken (EPPO-verordening). Kroatië doet mee. EPPO kan het algemene wantrouwen in Kroatische rechtbanken niet repareren, maar zodra EU-geld in het geding is, heeft het een juridische bevoegdheid die het jaarlijkse rapport juist mist.
Over de grens van die bevoegdheid is nu een conflict ontstaan. Het Kroatische Constitutionele Hof heeft het Hof van Justitie van de EU, de hoogste EU-rechter in Luxemburg, gevraagd te bepalen waar de bevoegdheid van EPPO ophoudt en die van de nationale vervolgingsdienst DORH begint. De Commissie heeft zich in die zaak gemengd en stelt dat de Kroatische hoofdaanklager, Ivan Turudić, niet als onafhankelijk en onpartijdig kan gelden bij het beoordelen van die grens (Telegram.hr). Verfassungsblog, een Duits platform voor constitutioneel recht, ziet de zaak als waarschuwing voor wat er gebeurt wanneer een nationaal vervolgingssysteem van binnenuit weerstand biedt tegen de Europese aanklager (Verfassungsblog).
De inzet is overzichtelijk. Als Kroatische instellingen via nationale constitutionele routes de reikwijdte van EPPO kunnen inperken, krijgen andere deelnemende landen een voorbeeld om hetzelfde te doen. De enige Europese vervolgingsinstantie zou dan gaan functioneren bij de gratie van de nationale systemen waarop zij juist toezicht moet houden.
Wat Brussel wel en niet kan
De feiten passen niet bij een verhaal over een sanctiecrisis. Kroatië laat vooral een structurele grens zien: een lidstaat kan jaar na jaar zeer laag vertrouwen in de rechtspraak en hardnekkige corruptie meeslepen, terwijl de Commissie het probleem noteert en vergelijkbare hervormingen aanbeveelt. Brussel kan het Kroatische rechtsstaatprobleem diagnosticeren. Handhaven kan het pas wanneer dat probleem raakt aan EU-geld, EU-recht of de bevoegdheid van EPPO, niet wanneer het op zichzelf het binnenlandse democratische vertrouwen uitholt.
Het bevoegdheidsconflict rond EPPO ligt nu bij het Hof van Justitie in Luxemburg. Die uitspraak bepaalt of de enige Europese vervolgingsinstantie volledig kan opereren binnen een lidstaat waarvan de hoofdaanklager volgens de Commissie gecompromitteerd is. Het antwoord moet uit Luxemburg komen. De medewerking die dat antwoord vereist, zal uit Zagreb moeten komen.
Details about this article
- Model:
- claude-opus-4-6
- Generated:
- 7/18/2026, 2:34:15 AM
- Pipeline run:
- eu_pipeline_20260718_005005
- Watermark:
- SynthID (Google's invisible watermark)
- Human review:
- None before publication