Subsidievrij windtijdperk loopt vast

The North Sea’s revenue risk now runs through the public accounts.
Beeldcompositie · tobriefNederland heeft het maximale subsidiebudget voor twee komende windtenders op de Noordzee verhoogd naar € 9,456 miljard, tegen eerder € 7,896 miljard (RVO, Rijksoverheid). Dat bedrag is geen reddingscheque. Het is het plafond voor de nieuwe tenderondes Gamma-A en Gamma-B, die in november opengaan. De winnende biedingen kunnen ruim onder het maximum van ongeveer € 0,117 per kilowattuur uitkomen (RVO). Die prijs ligt boven recente groothandelsgemiddelden en is bedoeld om financiering weer mogelijk te maken, niet om ontwikkelaars royaal te bedienen. De richting is wel duidelijk: de Nederlandse staat stopt weer publiek geld in wind op zee, omdat het vorige model, waarin ontwikkelaars zonder exploitatiesubsidie bouwden, niet meer werkt.
Waarom het oude model vastliep
Twee jaar geleden kregen twee consortia het recht om bij IJmuiden Ver in de Noordzee 4 gigawatt aan windvermogen te bouwen zonder staatssteun. Dat is ongeveer de helft van de extra offshorecapaciteit die Nederland dit decennium wil realiseren. Noordzeker, met SSE Renewables en APG namens pensioenfonds ABP, kreeg kavel Alpha. Zeevonk, een combinatie van Vattenfall en Copenhagen Infrastructure Partners, kreeg Beta (Blackridge Research, NOS). Beide partijen aarzelen nu over hun definitieve investeringsbesluit, het moment waarop eigenaren en banken kapitaal feitelijk vastleggen.
Aan beide kanten van de rekensom verslechterde de situatie. De kosten liepen op: in Nederlandse regelgeving staat dat de bouwkosten voor wind op zee in 2025 40% hoger lagen dan in 2020, door inflatie, hogere rente en krappe toeleveringsketens (Staatsblad). Tegelijk daalden de opbrengstverwachtingen. Door zwakkere industriële elektriciteitsvraag rekenen ontwikkelaars op lagere verkoopprijzen voor stroom (NOS). Windparken vragen bovendien veel kapitaal vooraf. Omdat het grootste deel van de kosten aan het begin wordt gemaakt, kan zelfs een beperkte rentestijging een project dat eerst financierbaar leek buiten het bereik van banken brengen (IRENA).
Het kabinet doet daarom twee dingen tegelijk: het onderhandelt met ABP en Vattenfall over de vastgelopen Alpha- en Betaprojecten, en het opent voor de volgende ronde opnieuw de subsidiekraan. De Gammatenders krijgen een steunmechanisme waarbij de staat bijspringt als de elektriciteitsprijs onder een afgesproken niveau zakt. Valt de stroomprijs tegen, dan betaalt de belastingbetaler een deel van het verschil.
Denemarken en Duitsland laten hetzelfde patroon zien
Nederland staat hierin niet alleen. Een eerdere Deense veiling voor wind op zee leverde geen enkel bod op. Kopenhagen paste de tender daarna aan met tweezijdige contracten voor verschil, of CfD's: de staat betaalt bij lage prijzen, maar haalt geld terug als de prijzen hoog zijn. Vattenfall deed mee en won, met een totaal steunplafond van DKK 37,6 miljard (KEFM, Energistyrelsen). Frankrijk kreeg van de Europese Commissie goedkeuring voor een steunregeling van € 63 miljard voor maximaal 11,1 GW wind op zee (European Commission, ESG Today). In Duitsland is het beeld nog scherper. Een tender voor 2,5 GW offshorewind kreeg helemaal geen biedingen, waarna de sector Berlijn onder druk zette om ook CfD's in te voeren (IWR). Het Verenigd Koninkrijk doorliep dezelfde cyclus: de vijfde CfD-ronde leverde geen offshoreprojecten op, pas na aangepaste voorwaarden kwamen ontwikkelaars in de zesde ronde terug (UK Gov AR5, UK Gov AR6).
Wie betaalt voor stabielere windinkomsten
De directe winnaars zijn ontwikkelaars en hun financiers. Zij krijgen stabielere inkomsten en daardoor goedkopere financiering. De rekening belandt bij belastingbetalers en stroomgebruikers, al verschilt de route per land. In Duitsland betalen huishoudens en bedrijven al een offshore-nettoeslag van 0,941 ct/kWh (Netztransparenz). Alleen al de Duitse uitbreiding van het offshore-elektriciteitsnet wordt tot 2045 geraamd op € 153 tot € 171 miljard, kosten die rechtstreeks in zulke toeslagen terechtkomen (Netzentwicklungsplan). In België zeggen Antwerpse chemiebedrijven dat zij € 80 tot € 100 miljoen extra kwijt zijn aan transmissietarieven die samenhangen met investeringen in het offshore-net (Made in).
De Nederlandse industriële gebruikersvereniging VEMW wijst op een probleem dat over grenzen heen geldt: wie windproducenten subsidieert maar de afnemers vergeet, verplaatst het probleem eerder dan dat hij het oplost. Industriële afnemers die langlopende stroomcontracten willen tekenen, geven banken immers juist het vertrouwen om zulke projecten te financieren (VEMW). Zonder die vraag stijgen de publieke kosten en blijven ze ook liggen.
Subsidievrije wind "zonder staatssteun" noemen was overigens altijd al misleidend. Netplanning, bodemonderzoek en kabelverbindingen waren vanaf het begin publieke kosten. Wat verandert, is dat overheden nu ook het opbrengstrisico op hun balans nemen. Europa geeft wind op zee niet op. Het laat belastingbetalers en stroomgebruikers wel een groter deel dragen van de prijs die de markt niet meer vanzelf opbrengt.
How was this article?
Help us get better
Help us get better
Details about this article
- Model:
- claude-opus-4-6
- Generated:
- 8/30/2026, 1:52:13 AM
- Pipeline run:
- eu_pipeline_20260830_005006
- Watermark:
- SynthID (Google's invisible watermark)
- Human review:
- None before publication