Duitse industrie krijgt €2,9bn steun

The single market fractures as industrial protection becomes a monument only the wealthiest can afford.
Beeldcompositie · tobriefBij Slovalco, de enige aluminiumsmelter van Slowakije, beloofde de regering onlangs bijna € 470 miljoen tot 2030 om de elektriciteitskosten te dekken en de ovens draaiende te houden (Denník E). Bratislava presenteerde het als een uitzonderlijke reddingsoperatie. Daarna kreeg Duitsland toestemming voor iets veel groters.
Op 8 juli keurde de Europese Commissie een uitbreiding goed van de Duitse compensatie voor stroomprijzen. Dat programma vergoedt energie-intensieve fabrieken voor de CO2-kosten die elektriciteitsproducenten doorberekenen in hun stroomprijzen. Ongeveer twintig nieuwe sectoren, van glas tot batterijen, kunnen nu steun aanvragen. Bedrijven die al onder de regeling vielen, krijgen bovendien iets meer vergoed (Spiegel, BBH Blog). Het was al de tweede verruiming in enkele weken. In juni liet Brussel Duitsland ook toe deze compensatie te stapelen met een apart programma voor industriestroom, goed voor ruwweg € 1 miljard aan extra begrotingskosten (Zeit).
Strikt juridisch is daar weinig mis mee. Artikel 107 VWEU verbiedt staatssteun die bedrijven in één lidstaat een oneerlijk voordeel geeft, maar laat uitzonderingen toe als steun grotere schade voorkomt. Denk aan fabrieken die Europa verlaten om CO2-kosten te ontlopen. Op die grond keurde de Commissie de Duitse regeling goed. Het probleem zit dus niet in de legaliteit, maar in wat er gebeurt wanneer hetzelfde staatssteunkader wordt toegepast op landen met zeer verschillende begrotingsruimte.
Hoe CO2-kosten de interne markt splijten
Het mechanisme is vrij simpel. Onder het Europese emissiehandelssysteem, het ETS, moeten elektriciteitscentrales rechten kopen om CO2 uit te stoten. Die kosten verwerken zij in de stroomprijs. Fabrieken die veel elektriciteit gebruiken, betalen daardoor meer, ook als zij zelf niet rechtstreeks veel uitstoten. Overheden halen tegelijk miljarden op uit de veiling van die emissierechten en mogen een deel van die opbrengst terugsluizen naar hun industrie.
Bij die terugsluis begint de markt te scheuren. Duitsland wil in 2026 € 2,9 miljard uitgeven aan compensatie voor industriële elektriciteitskosten, ongeveer 67% van de verwachte € 4,3 miljard aan ETS-veilingopbrengsten (Ariadne). Frankrijk besteedde 44% van zijn veilingopbrengst aan hetzelfde doel, België 33%, Slowakije ongeveer 5% (Aktuality). Op papier heeft elke regering dezelfde optie. In de praktijk levert de Duitse industriële basis een grotere veilingpot op, terwijl de Duitse begroting ruimte laat om daar een groot deel van uit te geven. Een land dat al zwaar moet lenen om de lopende uitgaven te betalen, kan dat niet evenaren, ook al mag het volgens de regels wel.
De fabrieken die het verschil voelen
Op fabrieksniveau wordt het verschil tastbaar. In Roemenië zei de topman van Dacia dat het land de hoogste industriële energieprijs van Europa heeft. Hij koppelde de onzekerheid over energiekosten aan een daling van 64% in investeringen en bijna duizend minder werknemers in één jaar (Ziarul Financiar). In Polen liggen de totale energiekosten voor de grootste industriële verbruikers volgens ramingen uit de sector rond 170 EUR/MWh, ongeveer 45% boven het EU-gemiddelde. Diezelfde ramingen waarschuwen voor jaarlijks productieverlies in de industrie ter waarde van miljarden zloty (WP).
Bij zulke cijfers hoort wel een voorbehoud. Er bestaat geen openbare dataset die precies laat zien wat een gesubsidieerde Duitse glasfabriek of een niet-gecompenseerde Poolse staalfabriek uiteindelijk betaalt, nadat nationale steun, belastingen, nettarieven en afdekkingscontracten zijn meegerekend. Eurostat publiceert elektriciteitsprijzen voor niet-huishoudelijke gebruikers, maar de eindfactuur hangt af van nationale lagen steun die niet in één tabel passen.
Het onderliggende patroon is toch duidelijk genoeg. Landen met gezonde overheidsfinanciën kunnen een groter deel van de kosten van de CO2-transitie voor hun industrie opvangen. Landen met diepe tekorten kunnen Berlijn niet bijbenen, ongeacht wat het staatssteunkader formeel toestaat. Het Roemeense begrotingstekort kwam in 2024 uit op 9,3% van het BBP, volgens HotNews. De Commissie heeft de interne markt niet geschonden. Maar door nationale steun van deze omvang goed te keuren zonder gemeenschappelijke ondergrens, maakt zij de groene transitie wel tot een test van begrotingskracht in plaats van industriële efficiëntie. De Slowaakse smelter kreeg zijn reddingslijn. Voor fabrieken in lidstaten die zulke cheques niet kunnen uitschrijven, heeft Brussel nog geen alternatief.
How was this article?
Help us get better
Help us get better
Details about this article
- Model:
- claude-opus-4-6
- Generated:
- 7/9/2026, 2:30:10 AM
- Pipeline run:
- eu_pipeline_20260709_005006
- Watermark:
- SynthID (Google's invisible watermark)
- Human review:
- None before publication